Inleiding
Een jaar geleden kon een bedrijf nog indruk maken door te laten zien dat het "iets met AI" deed. Een copiloot hier, een agentpilot daar, een intern innovatieprogramma erbij, en de buitenwereld concludeerde al snel dat de organisatie modern bezig was.
Die fase loopt af.
Op dinsdag 28 juli 2026 zette BCG dat scherp neer in een nieuw investeerdersonderzoek: beleggers geloven nog steeds in AI, maar willen nu bewijs zien dat de belofte zich vertaalt in rendement, discipline en geloofwaardige keuzes. Dat is een belangrijk signaal, niet alleen voor beursfondsen maar voor vrijwel ieder managementteam. Die nadruk op bewijs kan ook doorwerken in de vragen van banken, aandeelhouders, commissarissen en directieteams in het mkb.
De vraag verandert daarmee fundamenteel. Niet langer: gebruiken we AI al? Maar: kunnen we onderbouwen wat het oplevert, wat het kost, waar het schaalt en waar we beter stoppen?
Dat helpt ondernemers en bestuurders hun eigen AI-inzet kritisch te beoordelen. De komende voorsprong komt waarschijnlijk niet van de bedrijven met de luidste AI-boodschap, maar van de bedrijven die hun AI-economie als eerste op orde krijgen.
Enthousiasme is er nog, blind vertrouwen niet meer
Het interessante aan het nieuwe BCG-stuk is dat de stemming niet cynisch is. Integendeel. Volgens BCG noemt 67 procent van de onderzochte investeerders zich optimistisch of zeer optimistisch over de komende drie jaar. Tegelijk zien diezelfde investeerders AI niet automatisch als blijvend onderscheidend vermogen. Ongeveer twee derde verwacht dat AI vooral brede efficiëntiewinst oplevert of hooguit een tijdelijk first-movervoordeel geeft.
Dat maakt de lat hoger.
Als AI voor iedereen beschikbaar wordt, is alleen investeren niet genoeg. Dan moet een bedrijf aantonen waarom zijn inzet beter is dan die van de rest. BCG schrijft dat 77 procent van de ondervraagde investeerders de AI-strategie van bedrijven waarin zij beleggen bewust meeweegt. Maar slechts 57 procent vindt dat ondernemingen daar passend over rapporteren. Nog scherper: meer investeerders vinden het huidige AI-investeringsniveau te agressief dan te voorzichtig, 37 versus 22 procent.
Dat is een omslagpunt. De markt zegt in feite: wij geloven best in AI, maar niet meer in elke AI-uitgave.
De echte vraag wordt economisch, niet technologisch
Dat zie je niet alleen bij investeerders, maar ook binnen organisaties zelf. PwC publiceerde op 20 juli 2026 een stuk dat dit goed samenvat: tokenprijzen dalen, maar AI-rekeningen lopen toch op. Dat klinkt paradoxaal, maar is logisch. Zodra AI goedkoper lijkt, gaan organisaties het overal inzetten, ook op plekken waar de workflow ingewikkelder wordt en de rekening juist stijgt.
Daarmee komt AI in een nieuwe bestuursfase terecht. De bottleneck is niet meer alleen modelkwaliteit of adoptie. De bottleneck is economisch ontwerp.
PwC stelt het scherp: wanneer concurrenten grotendeels met dezelfde modellen werken, wordt de verhouding tussen prijs en opbrengst een strategisch onderscheid. Niet omdat kostenbesparing op zichzelf sexy is, maar omdat slimmer en efficiënter AI-gebruik ruimte vrijmaakt voor nieuwe proposities, snellere opschaling en gerichte herinvestering. In het voorbeeld dat PwC noemt, verlaagde een technologiebedrijf de kosten per run in een belangrijke pijplijn met 65 tot 80 procent, waardoor het drie tot vijf keer meer AI voor hetzelfde budget kon draaien.
Dat is een andere manier van kijken naar AI. Niet als innovatiebudget naast de business, maar als kapitaalallocatievraagstuk binnen de business.
Veel bedrijven sturen nog met dashboards, niet met kostenzicht
Juist daar wringt het in de praktijk. KPMG meldde op 24 juni 2026 dat in een enquête onder 204 Amerikaanse bestuurders en bedrijfsleiders van ondernemingen met minstens 1 miljard dollar jaaromzet 66 procent monitoringdashboards rapporteert en 61 procent goedkeuringsprocessen rond AI kent, maar slechts 26 procent volledig realtime zicht heeft op wat AI op schaal werkelijk kost.
Dat ene cijfer is bestuurlijk gezien veelzeggend.
Veel leiders denken dat ze AI beheersen zodra er governance, goedkeuringsprocedures en een paar overzichtsschermen bestaan. Maar zonder realtime kostenzicht stuur je feitelijk op activiteit, niet op economie. Dan weet je misschien hoeveel use cases draaien, maar niet welke workflows financieel zinvol zijn, welke agentketens onnodig duur worden en waar productiviteitswinst alweer verdampt in extra complexiteit.
KPMG laat ook zien dat agentgebruik steeds volwassener wordt. Binnen dezelfde Amerikaanse survey bleef de gerapporteerde uitrol in het tweede kwartaal van 2026 grofweg stabiel boven 50 procent, maar het aandeel dat meerdere AI-agenten over workflows heen orkestreert, verdubbelde van 9 naar 18 procent. Dat is belangrijk, want precies daar beginnen kosten, afhankelijkheden en governancevragen harder mee te groeien.
Met andere woorden: AI wordt minder experimenteel en juist daarom financieel spannender.
Breed gebruik zegt nog weinig over harde waarde
Dat sluit aan op wat de ECB en McKinsey deze zomer lieten zien. De ECB schreef op 24 juni 2026 dat in de SAFE-enquête over het vierde kwartaal van 2025 meer dan 70 procent van de bedrijven in het eurogebied aangaf AI te gebruiken, maar slechts 7 procent intensief. En juist dat intensieve gebruik hangt sterker samen met innovatie, uitbreiding van producten en diensten en dus met productiviteitspotentieel.
De beleidsles is helder: gebruik is niet hetzelfde als inbedding.
McKinsey trok op 8 juli 2026 een vergelijkbare lijn. In hun onderzoek zegt 70 procent van de respondenten persoonlijk klaar te zijn om AI te gebruiken, maar slechts 27 procent van de leiders vindt de organisatie klaar voor de verschuivingen die nodig zijn. Slechts 11 procent zegt in de fase van echte heruitvinding te zitten.
Die cijfers helpen verklaren waarom zoveel bedrijven wel AI-activiteit tonen maar nog geen overtuigende waardeclaim kunnen maken. De medewerker is sneller dan het systeem, de tool sneller dan het operating model, en de demo sneller dan de businesscase.
Zolang die volgorde niet wordt omgedraaid, blijft AI voor veel organisaties zichtbaar maar moeilijk bewijsbaar.
De winnaars meten geen hype, maar doorwerking
PwC gaf op 27 mei 2026 nog een belangrijk extra datapunt mee: in hun analyse van 1.217 organisaties vangt de top 20 procent ongeveer 74 procent van alle AI-gedreven opbrengsten. Dat suggereert dat AI-waarde zich niet netjes over de markt verspreidt, maar samenklontert bij bedrijven die de juiste fundamenten en managementkeuzes combineren.
Dat is voor ondernemers en bestuurders relevanter dan bijna elk dagelijks AI-nieuwtje.
Want het betekent dat de echte managementvraag niet is of AI potentieel heeft. Die vraag is beantwoord. De relevante vraag is waarom sommige organisaties productiviteitswinst, groei en efficiëntie wel weten om te zetten in financiële doorwerking, terwijl andere blijven hangen in losse successen zonder optelsom.
Het antwoord lijkt steeds vaker te liggen in vier disciplines:
- scherp zicht op kosten per workflow of use case;
- expliciete koppeling tussen AI-inzet en P&L-effect;
- herinvestering van vrijgespeelde capaciteit in groei of versnelling;
- durven stoppen met AI-gebruik dat vooral volume en complexiteit toevoegt.
Dat klinkt misschien financieel streng, maar in werkelijkheid is het strategisch volwassen.
Ook niet-beursgenoteerde bedrijven krijgen deze toets
Sommige lezers zullen denken: investeerdersdruk is vooral een beursverhaal. Dat is te beperkt.
Ook niet-beursgenoteerde ondernemingen krijgen te maken met dezelfde logica. Misschien niet via analisten op kwartaalcalls, maar wel via aandeelhouders, financiers, auditcommissies, MT's en steeds scherpere budgetrondes. Zeker nu AI-bestedingen verschuiven van incidentele tooling naar terugkerende operationele lasten, wordt de vraag onvermijdelijk wie beslist, wie meet en wie aanspreekbaar is op rendement.
Daar komt nog een tweede beweging bij. KPMG meldde op 23 juli 2026 dat wereldwijde durfkapitaalinvesteringen halverwege het jaar al op een vijfjaarsrecord staan, sterk gedreven door grote AI-deals. Met andere woorden: het kapitaal achter AI-aanbieders blijft ruim aanwezig. Maar juist daardoor neemt de druk op afnemers toe om selectief te zijn. Wanneer de markt overspoeld wordt met nieuwe AI-capaciteit, wordt keuzevaardigheid belangrijker dan koopbereidheid.
Niet elk bedrijf hoeft voorop te lopen in elk AI-domein. Maar elk bedrijf moet wel beter worden in uitleggen waarom het ergens wel, later of niet investeert.
Wat leiders nu concreet anders moeten doen
Deze fase levert zes praktische lessen op.
- Verplaats het AI-gesprek van innovatie naar kapitaaldiscipline. Vraag niet alleen wat technisch kan, maar ook waar de kostenstructuur verbetert en waar ze verslechtert.
- Meet AI niet op adoptie alleen. Een hoog gebruikscijfer is prettig, maar zegt weinig zolang niet duidelijk is welke processen sneller, winstgevender of betrouwbaarder zijn geworden.
- Geef CFO en proceseigenaren een zwaardere rol. AI is te duur en te structureel geworden om als losstaand innovatieprogramma te blijven draaien.
- Maak kostenzicht realtime genoeg om bij te sturen. Zonder zicht op runtime, tokenverbruik, escalaties, handmatige correcties en hergebruik van componenten kun je geen volwassen keuzes maken.
- Definieer vooraf wat je met productiviteitswinst doet. Vrijgespeelde uren zijn pas bedrijfswaarde als ze leiden tot meer output, kortere doorlooptijd, betere service of lagere kosten.
- Bouw een geloofwaardig extern en intern verhaal. Niet marketingtaal, maar een heldere redenering over prioriteiten, trade-offs, timing en verwachte opbrengsten.
Voor veel bedrijven is vooral dat laatste nieuw. AI was lang een verhaal van visie. Nu wordt het een verhaal van bewijs.
De volgende fase heet geloofwaardigheid
De AI-markt koelt dus niet af. Maar ze professionaliseert wel.
Dat is een gezonde ontwikkeling. Hype is nuttig om beweging te starten, maar ongeschikt om kapitaal te blijven sturen. Naarmate AI dieper in kernprocessen komt, worden de beslissingen zwaarder: welk proces herontwerpen we echt, welke kosten accepteren we tijdelijk, welke winst herinvesteren we, en hoe bewijzen we dat dit meer is dan digitale drukte?
De organisaties die daar het eerst volwassen antwoorden op geven, winnen waarschijnlijk twee keer. Eerst intern, omdat zij budget, talent en focus beter organiseren. Daarna extern, omdat zij betrouwbaarder overkomen op investeerders, financiers en partners.
De cruciale vraag voor de tweede helft van 2026 is daarom niet meer: "Doen wij genoeg met AI?"
De betere vraag is: "Kunnen wij overtuigend uitleggen waarom onze AI-inzet economisch slimmer wordt?"
Wie daar geen goed antwoord op heeft, houdt misschien wel AI-activiteit over.
Maar steeds minder geloof.
Bronnen
- 1.BCG - Investors Believe in AI: Now They Want Results - publicatiedatum: 28 juli 2026
- 2.PwC - Spending too much on AI? How CIOs and CFOs can scale AI with discipline - publicatiedatum: 20 juli 2026
- 3.KPMG - AI Investment and Agent Deployment Hold Steady Amid Growing Focus on Pragmatism - publicatiedatum: 24 juni 2026
- 4.McKinsey - From adoption to impact: Three horizons of AI transformation - publicatiedatum: 8 juli 2026
- 5.ECB - What separates firms that use AI intensively from firms that don't? - publicatiedatum: 24 juni 2026
- 6.PwC - How leading companies generate ROI from AI - publicatiedatum: 27 mei 2026
- 7.KPMG - Annual global VC investment already at a five-year high of $560.4 billion at mid-year: KPMG's Venture Pulse - publicatiedatum: 23 juli 2026
Meer lezen

AI maakt orkestratie schaarser dan analyse
Jarenlang was analyse een schaars managementgoed. Wie sneller data kon verzamelen, betere scenario's kon bouwen en overtuigender presentaties kon maken, had vaak een voorsprong. AI verandert dat tempo nu fundamenteel. Analyses, samenvattingen, vergelijkingen en eerste adviezen worden goedkoper, sneller en voor veel meer mensen beschikbaar.
Lees artikel
AI wordt pas strategisch als stroom en compute directiethema worden
Veel organisaties praten nog over AI alsof het vooral een softwarekeuze is. Welk model kiezen we? Welke copilots geven we teams? Welke use-cases kunnen we versnellen? Die vragen blijven relevant, maar ze zijn niet meer voldoende. Een recente reeks gezaghebbende publicaties laat zien dat AI in hoog tempo ook een fysiek en financieel infrastructuurvraagstuk wordt.
Lees artikel